U bent hier

Het planten van de Sint Gerlachusden

Als men bij de St. Gerlachuskerk gearriveerd is met de nieuwe den, zit het werk er voor de Jonkheid bijna op. De paarden worden uitgespannen en teruggebracht naar hun stallen of naar een plaats waar ze opgeladen worden voor verder vervoer. De rol van de Jonkheid is dan uitgespeeld en de getrouwde mannen nemen het werk over. Zij hebben immers de taak de Gerlachusden kaarsrecht naast de kerk te planten. Met man en macht wordt de wagen voor het plantgat gereden. Dan mag de militair met de Nederlandse vlag zijn zitplaats op de den verlaten, waarna de vlag in de kruin van de nieuwe den wordt vastgemaakt. De kruin wordt nog wat bijgekapt, zodat deze er piekfijn uitziet als de den zich boven het dorp verheft. De getrouwde mannen proberen vervolgens een plaats aan de “sjtiepe” te bemachtigen. “Sjtiepe” zijn lange houten palen die bij elkaar gebonden worden met een ketting, waardoor je een soort vork krijgt. Het binden van de “sjtiepe” met behulp van kettingen is een belangrijk en niet gemakkelijk karwei. Als dit binden immers niet goed gebeurt kan de “sjtiep” uit elkaar vallen of breken, hetgeen door de drukte op het kerkplein al snel tot ongelukken zou kunnen leiden. Het binden wordt steeds door dezelfde personen gedaan, zodat deze getrouwde mannen inmiddels ook beschikken over de nodige kennis en ervaring.
 
Met behulp van de “sjtiepe” wordt de den dan langzaam omhoog geduwd op de commando’s: “èèn, twieje,… !” Zo gaat de den nu stukje voor stukje de lucht in, totdat hij met de bevlagde kruin naar de sterren wijst. Hoe hoger de den komt, hoe korter de “sjtiepe” bij elkaar komen te staan. Tijdens het omhoogduwen van de den wordt het plantgat, waarin de den is geplaatst, regelmatig met zand gevuld. Dit zand wordt vervolgens goed aangestampt. Het is een taak van het bestuur van de Jonkheid om de gehuwden van de gebruikelijke dorstlessers te voorzien. De mensen die ieder jaar weer van heinde en verre komen om dit schouwspel te aanschouwen kijken met plezier toe.